Uitzichtloos.. Een bezoek aan Noord Irak



Paul Velthove en Jan Drost van het deputaatschap Bijzondere Noden van de Gereformeerde Gemeenten zijn samen met Martin ten Caat en Henk Jan van der Weerd van het coördinerende actiecomité Hulp Irak op werkbezoek in Irak.

Op de dag van onze aankomst bezoeken we het vluchtelingenkamp in Ankawa, een voorstad van Erbil. 1250 gezinnen wonen hier in barakken, de meesten al bijna drie jaar. We zijn te gast bij de familie Habeeb, een echtpaar met drie volwassen kinderen. Oorspronkelijk komen ze uit Bagdad, maar moesten daar in 2006 vandaan vluchten naar Quarakosh, één van de christelijke enclaves in de vlakte van Ninevé. Door de opmars van IS in 2013 moesten ze opnieuw vluchten. We zien foto’s van hun mooie huis zoals ze het achterlieten, maar ook van de geplunderde en vernielde woning. Op de voordeur de bekende Arabische letter N van Nasrani, christenen, en ook de dreigende tekst op de muur: “We komen terug”. Of ze terug kunnen en willen, vragen we. Beslist schudden ze hun hoofd. Na twee keer vluchten hebben ze geen enkel vertrouwen meer om in hun land te blijven. Toch zijn ze dankbaar voor alles wat ze krijgen en ze wachten op wat God met hen wil.

Nog aangrijpender zijn de persoonlijke verhalen van 2 Jezidi-meisjes. Met een brok in onze keel horen we het aan. Amira Ghadim van 23 jaar is net één dag terug van haar IS-slavernij. Met een afwezige blik in haar ogen en een toonloze stem vertelt ze iets van haar ervaringen. Lang kan ze echter niet aan, het is allemaal nog te vers. Uitgebreider spreken we met Maryam. Ze is nu 14, nog steeds een kind, maar werd al op haar 11e vanuit Sinjar ontvoerd naar Syrië. Drie jaar lang verbleef ze op verschillende plekken en werd steeds na enkele maanden doorverkocht aan weer een andere IS-strijder. Mishandeld, zodat tot twee keer toe haar arm brak. Nog veel erger: ze werd dagelijks op een mensonterende en beestachtige manier verkracht. Afwezig om zich kijkend komen de woorden hakkelend over haar lippen, gevolg van een zenuwtrek die ze opgelopen heeft. Uiteindelijk is ze in Raqqa, de IS-hoofdstad in Syrië, terechtgekomen. Daar heeft IS contact met haar familie opgenomen, zodat ze voor 17.000 dollar vrijgekocht kon worden. Door bijdragen van familie en dorpsgenoten is het bedrag bij elkaar gebracht. Sinds november is ze weer terug en woont in Baadra bij een tante. Haar moeder en haar zus zijn nog steeds gevangen door IS, ze heeft er al jaren niets van hen gehoord en weet niet eens of ze nog in leven zijn. Ineens veert ze wat op en vraagt of wij een foto van haar moeder willen zien. Ze toont de foto op haar mobiel, ogenschijnlijk ook weer zonder emotie. Haar vader leeft nog wel en werkt in Duhok, maar omdat ze haar eer verloren heeft erkent hij haar niet meer als dochter. Op de vraag hoe zij haar toekomst ziet antwoordt zij heel beslist: “Mijn leven is voorbij”. 

Dit artikel is verschenen in het Reformatorisch Dagblad van maandag 3 april 2017.

Meer lezen over het werk van Bijzondere Noden in Irak? Klik hier